Categorieën
Interview

“Als ik een worm zie, geeft me dat hoop”

“Daar ben ik geland.” Leunend over het hek wijst Alowieke van Beusekom naar een hoek van het naastgelegen weiland, waar een bosje groeit. “Ruim twee jaar geleden ben ik met mijn rijdende huis het veld opgereden. Ik moest keihard rijden, anders zou de mover wegslippen, met die kleine gladde wieltjes. Ik ben doorgereden tot de hoek, waar een bosje is. Ik wilde echt achter dat bosje staan, want het waait hier heel hard. Op die plek ben ik gestopt en daar ben ik gebleven. En daar zakken de wielen langzaam de grond in.”

Zij kreeg bekendheid met de reis die zij in 2019 maakte met haar Rijdende Verhalenhuis. Zij verzamelde onderweg verhalen van de mensen die zij ontmoette en daaruit ontstond het boek Langs kantelende wegen. Maar nu is haar reis gestopt.

Stilstand is vooruitgang

“Op internet lijkt het alsof mijn woonwagen voor eeuwig blijft rondrijden. Maar ik ben allang aan een ander leven begonnen, terwijl het oude leven virtueel lijkt door te gaan en toegejuicht wordt. Na de reis met mijn wagen kies ik er nu voor om wortels te maken. Ik wil me verbinden met het land, dat is in deze tijd heel belangrijk. Ik had met dat reizen door kunnen gaan, maar het kost accu’s, energie en het is een heel onrustig leven.
Ik ben er bij gebaat om nu een plek te zoeken om voedsel te verbouwen en de bodem te verbeteren. En de Aarde is daar ook bij gebaat. Er was een tijd dat we zeiden: rust roest, maar nu is het tijd voor stilstand. Er is veel te veel beweging, het lijkt in een hyperstand te zijn geraakt.
Er zijn politieke keuzes nodig, maar als daarnaast honderdduizenden mensen besluiten daar niet meer aan mee te doen, kan er iets veranderen. Je bent niet machteloos, je kunt ook zelf stappen zetten.
Zoals deze plek, waar ik nu ben, en waar ik van de boer drieduizend vierkante meter grond in beheer heb gekregen. Dat is iets wat ik echt bereikt heb.

Een verstopbosje voor de hazen

Het land dat ik bewerk is een lange strook van ongeveer 120 meter lang en twintig of dertig meter breed. De helft is voor de dieren. Ik heb hier verschillende soorten wilgen geplant, die op verschillende tijden bloeien, waar de bijen profijt van hebben. Het wordt een verstopbosje, voor vogels en voor hazen. Er wordt hier in de omgeving elk jaar gejaagd en dan hebben de hazen hier een plek om te schuilen in deze meedogenloze vlakte waar nauwelijks schuilplaatsen zijn. Sinds twee jaar mogen de jagers hier niet meer op het land van de boerderij komen.
In de wilgen vinden ook honderden kleine beestjes een thuis en andere dieren kunnen daar weer van smikkelen. Op zo’n klein stukje kun je heel veel doen.
Ik was bij een conferentie van de Toekomstboeren en daar vond ik een sticker van Extinction Rebellion Landbouw. Ik ging op hun website kijken en zag daar een uitgebreide handleiding ‘Regenereren kun je leren’. Hoe je in je eigen buurt, op een stukje onbetekenende grond iets kan beginnen, samen met anderen. Als ik in de stad woonde, dan had ik dat ook gedaan. Maar ik zit nu hier. Op het platteland is alles uitgestrekter, dus het duurt langer om het naar je toe te trekken.

Een worm geeft hoop

Op het mens- en dierenstuk van het land dat ik bewerk zie je wat zwarte hoopjes grond. Daar ga ik komende lente zaaien: wilde peen, twaalfjarige luzerne, Met hun lange wortels gaan die de stijve klei breken en er meer leven in brengen. Dit land is al decennia lang hooiland. Het is niet geploegd, dus het is mooie grond. Maar er is altijd van af gehaald, er is nooit koolstof, humus. bij gekomen, De humuslaag is maar dun, daaronder is het grijze zeeklei, zo stijf als oude kaas. Daar moeten die plantenwortels dan doorheen.
Het is trouwens verbazend dat je zelfs in die grijze zeeklei nog hier en daar een piepklein roze wormpje ziet zitten, die daar toch nog iets kan. Dat geeft hoop. In alle grond die niet helemaal kapot gereden is, kan je meestal wel weer iets mee beginnen, als je maar geduld hebt.
Elke keer als ik wormpjes zie, krijg ik weer hoop. Vroeger dacht ik dat er maar een soort worm was, maar dat klopt niet. Er zijn heel veel soorten. er zijn hel klein roze wormpjes en hele dikke grijze slome wormen, die heel diep zitten. En dan zijn er helder roze wormen, van die mestwormen, die zich heel snel vermeerderen.
Als ik een worm op het fietspad zie liggen, dan red ik die altijd.

Het verhalenpad: niet te snel gaan

Op het bordje bij de ingang van het landje staat dat het een verhalenpad is. Hier groeien verhalen. Die verhalen zijn niet per se voor mensen. Mensen denken dat soms wel: de verhalen die hier zijn, die zijn voor mij. Dat kan, maar dan wel met gepaste bescheidenheid. Geen verhalen naar je toe graaien. Dat gebeurt wel Erens. Dan heb je een heel mooi stukje vermolmd hout gevonden met wat beestjes erin, en dat leg ik dan ergens neer. Een voorbijganger denkt dan soms: dat is mooi, dat wil ik hebben. Maar nee, dat blijft daar liggen, wat dat is het verhaal. Het is een verhaal, omdat jij op het pad blijft en er naar mag kijken. Een pad is er niet alleen om je schoenen netjes te houden of omdat de juf het zegt. Een pad is er, om de rest van de bodem en de beestjes en de natuur een kans te geven in dit overbevolkte landje. En vanaf het pad kun je ook heel veel zien, als je maar niet te snel gaat. Af en toe zal ik vast en zeker mensen meenemen om dit te laten zien. Maar ik ben ook heel blij dat dit stukje met rust gelaten wordt. Zeker als het straks broedtijd wordt, dan hoop ik dat hier heel veel vogeltjes gaan broeden.

Het mensenstuk

Het voorste deel van het pad is het mensenstuk. Hier wil ik zoveel mogelijk verschillende dingen laten groeien die ook eetbaar zijn. Ik wil vooral diversiteit, hoewel ik nu in de kas 120 bloemkoolplantjes heb ingezaaid. Maar die zie ik vooral als een middel om te ruilen, want ik wil zoveel mogelijk verschillende dingen. Ik hoop daar een netwerk voor te vinden, van mensen die ook willen ruilen. Het ruilcircuit in het Noorden lijkt een beetje stilgevallen, ik denk door de coronatijd. Ik wil wel proberen er weer wat leven in te blazen.

Verbonden zijn met de Aarde

Ik lees veel over inheemse volkeren. Inheems leven betekent verbonden zijn met de Aarde en wat daar op leeft op de plek waar je bent. Dus je scheidt je er niet van af, maar je maakt er deel van uit. Onze westerse samenleving is daar heel ver van af geraakt. Zelf heb daar van jongs af aan heel veel bij gevoeld. Toen ik vijftien was las ik het boekje ‘Hoe kun je de lucht bezitten’. Ik heb me toen ook verdiept in Aboriginals en andere volkeren. En elke keer werd ik weer geraakt door de onzelfzuchtigheid waarmee hun land werd beschermd en gekoesterd. Niet ‘dit is van mij’ maar ‘dit hoort bij ons’. Zo heb ik dat ook altijd gevoeld.
Biologische landbouw is hartstikke goed, maar er komen nog stappen achteraan: dat het ooit geen commercieel model meer is, maar dat het echt bedoeld is om ons te voeden. Inheemse volkeren kunnen ons daar heel veel in leren.

Op de bodem van de Middelzee

Ik ben nu in Friesland. Dit was vroeger zeebodem, de Middelzee. Bossen hebben hier nooit gestaan. Alles wat hier begint is een pionierslandschap. Elzen en wilgen horen hier thuis, in kleine bosjes. En verder is het weide, weidevogels. Boeren hebben hier eeuwenlang samengeleefd met die weidevogels. Dat was echt een band, de een voedt de ander.
De boeren deden aan eierenzoeken. Nu denken ze: dat is slecht. Maar er zat een heel ander verhaal achter. want de kieviten en de grutto’s broeden niet tegelijk. Door de eieren te rapen van de kieviten, die eerder waren, moesten die met een tweede legsel beginnen. En op dat moment waren de grutto’s ook aan het broeden. En met elkaar waren ze sterk genoeg om de roofvogels tegen te houden. Dus door de hand van de mens hielpen ze de vogels juist om meer jongen groot te brengen. En de mensen konden de eieren eten, daar waren ze ook bij gebaat, zeker na de winterperiode.
Dat soort verbanden tussen mens en natuur moeten we weer herstellen. Daar zijn inheemse volkeren erg goed in.

Links

Het boek Langs Kantelende Wegen